Hardloopefficiëntie

Hardloopefficiëntie ("running economy” (RE)) is gedefinieerd als:

- zuurstof verbruik bij een gegeven submaximale snelheid[1].

De atleet met de hoogst gemeten VO2max is niet direct de beste atleet. Een toename in VO2max resulteert niet direct in een betere prestatie. Een top atleet hoeft niet de grootste hoeveelheid O2 te kunnen opnemen maar het best met de O2 om te gaan. De marathon wordt rond de 80 - 90% van je VO2max gelopen er is ruimte voor verschil vanwege de mogelijkheid van de atleet om O2 efficiënter te gebruiken welke bepalend is voor de prestatie.

O2 wordt vanuit de lucht getransporteerd via de longen naar het bloed welke wordt rond gepompt door het hart en in de spieren wordt verbrand tot energie voor beweging.
 

Dit energie transport systeem wordt door middel van vele jaren training geoptimaliseerd.

(Hardloop)efficiëntie kan gezien worden als optimaal benzine verbruik in tijd bij een auto, hoe efficiënter je bent des te minder O2 je verbruikt bij een gegeven snelheid.

Wedstrijd snelheid

 
 
{

Training

↗ ↖

Milieu

% VO2max

Hardloopefficiëntie

Inspanningsfysiologie

Biomechanica

Lichaamssamenstelling                                        

Rekening houdend met lichaamsgewicht gebruiken de hardlopers met een goede RE minder zuurstof (energie) bij dezelfde loopsnelheid.

Beide lopers hebben dezelfde VO2max waarbij subject 1 een betere RE heeft en daardoor minder energie nodig heeft op de aangegeven snelheden[1].

Hardlopers moeten in staat zijn een hoge gemiddelde snelheid vast te houden tijdens de wedstrijd. Dit vergt veel van de neuromusculaire eigenschappen van de vrijwillige en reflexmatige spiercontracties, spierkracht en elasticiteit, hardloopbiomechanica en an- aerobe capaciteiten[1].

Hardloopefficiëntie is een belangrijke bepalende factor voor de prestatie in hardlopen. Er zijn verschillende factoren die invloed hebben op de hardloopefficiëntie en die op zichzelf beïnvloedbaar zijn[1].
 

Training.

Plyometrie:

Een factor bepalend voor de hardloopefficiëntie is die van opslag en vrijgeven van elastische energie door de spieren. Dit proces van opslaan en vrijgeven is duidelijk terug te vinden in de Strech Shorten Cyclus (SSC). SSC is een combinatie van een excentrische spiercontractie gelijk gevolgd door een concentrische spiercontractie. De mogelijkheid van de spieren om elastische energie op te slaan en vrij te geven is van groot belang bij bewegingen die gebruik maken van SSC, hardlopen is een duidelijke vorm van SSC[2].

Plyometrie vergroot de capaciteit van de spieren om vermogen te genereren door het SSC complex maximaal aan te spreken[2]. Daarnaast heeft plyometrie effect op de stijfheid van het spier-pees complex welke het lichaam de mogelijkheid geeft elastische energie op te slaan en te hergebruiken.

Plyometrie is een veel gebruikte trainingsvorm voor het verbeteren van de SSC en vergt verder geen extra energie waardoor deze trainingsvorm cruciaal kan zijn in het verbeteren van hardloopefficiëntie[1-2].

Krachttraining:

Door middel van krachttraining is aangetoond dat de loopefficiëntie verbeterd[3-4]. Waarschijnlijk komt dit door een verbeterde inter-musculaire coördinatie en een lokaal efficiëntere werkende spier voor O2 opname. De praktijk wijst uit, dat prestaties van lopers vaker / sterker worden beperkt door een gebrekkige reactieve werking van de spieren, dan door een gebrek aan concentrisch, positief arbeidsvermogen[5]. Alleen voor de start van de sprint is de positieve arbeid uit spieren prestatiebepalend[5].

Volume & intensiteit van de training:

Lange continue duurloop en lange herhalingen verhogen de RE in vergelijking met korte intervallen welke geen effect lijken te hebben op RE[6]. Duurtraining heeft als gevolg een toename in mitochondrieën in de spieren welke opname van O2 verbeterd[1]. Naast een toename in mitochondrieën leiden lange duurlopen tot een neuromusculaire aanpassing waarbij de verticale afzet component optimaliseert.

Specificiteit houdt in dat een 800/1500 meter specialist economischer loopt dan een marathonloper op snelheden groter dan 19km/u, daar waar de marathonlopers economischer zijn op lagere snelheden[7].

Lichaamssamenstelling.

Lengte:
Iets kleiner dan gemiddeld lijkt beter te zijn voor mannen waar vrouwen baat hebben door net iets groter dan gemiddeld te zijn[1].
Vet percentage:
Hoe meer overtollig gewicht de atleet moet opvangen en in gang moet houden hoe meer energie dit vergt[1].
Been samenstelling:
Heet meeste gewicht dichter bij de heupen. Dit betekend dat de atleten met smalle kuiten in het voordeel zijn bij de atleet met veel spiermassa in de kuiten[1].

Biomechanica.

Schoenen:
Lichtgewicht en een goed verend vermogen[1]. Theoretisch bepaald het verend vermogen van de schoenen de hoeveelheid werk (energie) dat gedaan moet worden door de spieren om de landing te absorberen[8].
Paslengte:
Vrij gekozen over een lange periode van training[1].

Houding en hardloopefficiëntie:
Verschillende bewegingscriteria zijn voorgedragen als factoren die bijdragen aan een goede hardloop efficiëntie:
-Kort grond contact (reactiviteit),
-Kleine verticale verplaatsing
-Kleine kniehoeken maar snellere bewegingen in landingsfase en zwaaifase,
-Een duidelijke heup extensie bij "toe-off” fase.
-Geen overbodige armbewegingen
-snellere rotatie van de armen in transversale vlak
-Het vermijden van rotaties die gecompenseerd moeten worden.

Het veranderen van de loopmechanica kan ervoor zorgen dat de loper minder energie hoeft te gebruiken om een gegeven snelheid vast te houden[1]. Er moet wel rekening gehouden worden met het feit dat als de loper een nieuwe techniek aanleert dat dit in eerste instantie zal resulteren in een verminderde loopefficiëntie[8].

De onderzoeken naar de invloed van loopmechanica en RE zitten niet allemaal op dezelfde lijn[1]. Verschillende onderzoeken vinden geen relatie verklaring tussen het veranderen van loopmechanica en een afname in RE[9-11]. Een onderzoek bij marathonlopers vond een afname in de loopefficiëntie in de laatste 45 minuten welke deels werd toebedeeld aan het vooroverbuigen van de romp en een verminderde pas lengte[12].

Loopanalyse:

Looptechniek ≠ loopefficiëntie, looptechniek is een onderdeel welke het lopen efficiënter kan maken.

Zoals eerder vermeld is die atleet die de meeste energie kan opwekken niet altijd de snelste. Het aanspreken van energie kan door inefficiënte omzetting in het looppatroon leiden tot een lagere loopsnelheid.

De energie die in het lopen wordt gestoken worden grotendeels besteed aan twee deel-bewegingen.

1 De verticale verplaatsing:

Opgeteld verplaatst een loper tijdens de marathon 1km in verticale richting. Deze verticale verplaatsing vergt veel energie. Daarnaast is het uitvoeren van de verticale verplaatsing (+/- 22000 keer tijdens een marathon) onder vermoeidheid niet zo gemakkelijk. Goede uitvoering van de verticale afzet is om dit gegeven een zeer belangrijk onderdeel van de looptraining.

2 Het voor- en achterwaats bewegen van de benen (pendel):

Ongeveer 80% van alle energie gaat in deze beweging zitten. De energie die in deze deelbeweging gestoken wordt kan verminderd worden door de pasfrequentie en bewegingsuitslag van de knie laag te houden.

Deze 2 deelbewegingen kosten veel energie en kunnen niet los van elkaar gezien worden. De pasfrequentie zal laag blijven als de zweeffase (gevolg van een goede verticale afzet) langer duurt. Bij een lagere pasfrequentie zal er minder energie gaan zitten in het pendelen van de benen. De bewegingsuitslag zal beperkt blijven als de knie niet te hoog wordt wordt opgetild en tegelijkertijd het standbeen niet tever wordt doorgestrekt. Dit resulteerd in een korte standfase.

Er ontstaat een grotere hoek doordat de rechter loper aan de   grond blijft plakken. De linker loper is reactiever en daardoor  een kleinere hoek uitslag.

 
 
 
Referenties:
 
1. Saunders, P.U., et al., Factors affecting running economy in trained distance runners. Sports Med, 2004. 34(7): p. 465-85.
2. Turner, A.M., M. Owings, and J.A. Schwane, Improvement in running economy after 6 weeks of plyometric training. J Strength Cond Res, 2003. 17(1): p. 60-7.
3. Hickson, R.C., et al., Potential for strength and endurance training to amplify endurance performance. J Appl Physiol, 1988. 65(5): p. 2285-90.
4. Ferrauti, A., M. Bergermann, and J. Fernandez-Fernandez, Effects of a concurrent strength and endurance training on running performance and running economy in recreational marathon runners. J Strength Cond Res, 2010. 24(10): p. 2770-8.
5. F. Bosch, R.K., hardlopen biomechanica en inspanningsfysiologie praktisch toegepast. 2001, Maatssen: Elsevier gezondheidszorg.
6. Franch, J., et al., Improved running economy following intensified training correlates with reduced ventilatory demands. Med Sci Sports Exerc, 1998. 30(8): p. 1250-6.
7. Daniels, J. and N. Daniels, Running economy of elite male and elite female runners. Med Sci Sports Exerc, 1992. 24(4): p. 483-9.
9. Collins, M.H., et al., Acute effects of intense interval training on running mechanics. J Sports Sci, 2000. 18(2): p. 83-90.
10. Kyrolainen, H., et al., Effects of marathon running on running economy and kinematics. Eur J Appl Physiol, 2000. 82(4): p. 297-304.
11. Morgan, D.W., et al., Effects of a prolonged maximal run on running economy and running mechanics. Med Sci Sports Exerc, 1990. 22(6): p. 834-40.
12. Hausswirth, C., A.X. Bigard, and C.Y. Guezennec, Relationships between running mechanics and energy cost of running at the end of a triathlon and a marathon. Int J Sports Med, 1997. 18(5): p. 330-9.
 

© Wibbo Hummelen Challenge4Me